Dit najaar hoop ik het basisboek Zuid Europees rijden, de Doma Vaquera te presenteren, het is een boek waaron stapsgewijs de oefeningen en fases van training worden uitgelegd.
Een absolute aanrader voor mensen die weer een wat anders willen.
Om alvast een voorproefje te geven staan hier wat stukje uit dit basisboek.
Inleiding
In de bespreking van de hulpen en de oefeningen wordt uitgegaan van een paard war redelijk zadelmak is. Het paard verdraagt een ruiter op de rug. De basis van het rijden is identiek aan de bekende methodes. Pas na het zadelmak maken kan gestart worden met de beginfase van de Doma Vaquera. Alle basisoeofeningen dienen met verstand en kunde te worden gevraagd aan het paard, de samenwerking met het paard staat in deze training centraal. Oplossingsgerichtheid van het paard wordt beloond en gestimuleerd, zit zal later in de training een punt zijn waar pard en ruiter veel aan zullen hebben.
Hulpen van de ruiter De hulpen van de ruiter zijn het middel om met het paard te communiceren . Het paard moet geleerd worden om deze hulpen ook zo te begrijpen. Het is niet zo dat paarden van nature reageren op de ruiterhulpen, veel hulpen moet door de ruiter worden geleerd aan het paard. Een ruiter heeft enorm veel hulpen beschikbaar.
In het begin zijn de hulpen groter om het paard te verduidelijken wat er verwacht wordt, naarmate de training verder gaat worden de hulpen steeds kleiner. De hulpen van de ruiter zijn zeer divers, de handen, het gewicht, de benen, de stem etc. Gebruik ze in het belang van het paard en ter ondersteunng aan het gevraagde.
Als extra hulpen heeft de ruiter, later in de training de beschikking over de sporen, de zweep (een twijg), de serreta etc. Zodra het paard in de basis geleerd heeft een ruitergewicht te verdragen wordt de eerste fase van de, lange, verstandige training ingezet. In eerste instantie zijn het gewicht, de benen en de zit hulpen die voor het paard het meest gemakkelijk zijn om te begrijpen.
De ruiter dient zonder spanning op het paard te zitten waarbij geoefend wordt om het paard van richting te laten veranderen door;
- Met behulp van de teugels aan de serreton , de neusband met ringen, het hoofd van het paard bewegen in de richting waar het paard heen moet.
- Gewichtsverplaatsing van de ruiter, de zit dient het paard niet te hinderen en uit balans te brengen maar eerder te stimuleren door in evenwicht te zijn met het paard.
- De benen van de ruiter ondersteunen het veranderen van richting. Het paard wordt in deze fase geleerd te wijken voor de druk van het been.
- De stem kan als hulp versnellend of vertragend werken maar ook belonend of afkeurend. Bouw stemgebruik ook weer af.
In de gehele basistraining wordt veel gebruik gemaakt van cirkels, door iedere keer te oefenen op een cirkel zal het voor het paard duidelijk worden wat de bedoeling is en zal de ruiter steeds minder gewichtig hoeven te doen. Het gaat er immers om de hulpen steeds meer te verkleinen om hetzelfde gedaan te krijgen. In de cirkel is het gemakkelijker en logischer voor een paard om zich geheel te buigen in de richting waar het heen wordt gestuurd. De ruiter dient zo recht mogelijk op het paard te zitten waarbij de benen recht naar beneden hangen. Bij een wending maakt de ruiter het binnenbeen wat langer, het gewicht van de ruiter komt iets meer te liggen op het binnenbeen en het buitenbeen begeleidt de heupen van het paard in de wending. Door het bovenlijf iets te draaien in de richting waar het paard heen moet gaan komen de benen als het ware vanzelf in de juiste positie te liggen. Het binnenbeen op de singel en het buitenbeen iets meer naar achteren, zonder het gewicht van de ruiter waardoor. Het buitenbeen voorkomt het uitzwaaien van de achterhand naar buiten door in eerste instantie te geleiden en indien nodig het paard met dit buitenbeen iets de gewenste richting in te duwen.

Doordat in de eerste, ruim drie jaar, van de training geen twee teugels maar vier teugels worden gebruikt als ondersteuning is het gebruik van de teugels zeer veelzijdig. Durf als ruiter mee te gaan met de handen en wees eerlijk in de vragen die gesteld worden. Zeker in de beginfase is werken aan wederzijds vertrouwen belangrijker dan de oefeningen op zichzelf. De hieronder beschreven fases in de training zijn een proces van jaren, het is aan de ruiter om dit op een juiste wijze toe te passen op het paard en in alle redelijkheid te kiezen voor de optoming en besturing.
Het jonge paard wordt altijd opgetoomd met een viertal teugels.
· 1e fase: in eerste instantie worden de dunne teugels aan de serreton bevestigd en een tweetal teugels aan een gebroken bit. In deze fase wordt het paard gewend aan het dragen van een bit. Bij het gebruik van een serreton dienen de bakstukken van het gebroken bit over de serreton bevestigd te worden. De ruiter heeft twee teugels in iedere hand.
· 2e fase: de dunne teugels worden bevestigd aan de serreton en het paard word gewend aan het vaquero bit. De gewone teugels worden hier bevestigd aan of het mondstuk van het bit, of de scharen van het bit. Let op : De scharen van het bit zijn er alleen bij en hebben in het begin geen functie. De ruiter heeft drie teugels in de linkerhand en een teugel (rechts) in de rechterhand. Hier wordt een begin gemaakt met het besturen met vier teugels in een hand. (Zie fig:….) Een vara, oftewel een twijgje, assisteert bij het kiezen van de richting. Dit twijgje, in de rechterhand, wordt dwars over het paard gehouden en assisteert bij het veranderen van richting. Met de druk van het twijgje, die minimaal dient te zijn, wordt het paard geholpen in het kiezen an het juiste antwoord, hier komt een stuk ruitergevoel bij kijken. Ieder paard zal anders reageren, het is aan de ruiter een verstandige keuze te maken voor het paard. Dit twijgje wordt ook gebruikt bij de aanzet van de zijgangen waarbij het tegen de achterhand wordt gehouden. Het twijgje mag alleen aantikken, toucheren, en dient zuiver als ondersteuning voor de hulpen. Het is niet bedoeld om mee te slaan.
· 3e fase: het paard kan gemakkelijk van richting veranderen op de serreton, in deze fase worden de teugels aan de speciale ringen aan het mondstuk van het Doma Vaquera bit bevestigd. Het is raadzaam om dit stapsgewijs te doen, het af en toe weer rijden op alleen de serreton helpt de paardenmond zacht en gevoelig te blijven. De ruiter heeft de vier teugels in de linkerhand en gebruikt de rechterhand daar waar nodig als verduidelijking voor het paard.
· 4e fase: het paard reageert goed op de besturing en langzaam en systematisch wordt het paard gewend om alleen op het mondstuk te reageren. De ruiter heeft de vier teugels in de linkerhand en is in staat de rechterhand op het bovenbeen te leggen.
· 5e fase: het paard heeft geleerd om op de zit, het gewicht en de benen van de ruiter te reageren en is licht te besturen. De dunne teugels worden verwijderd en het paard wordt bestuurd aan de ringen aan de scharen van het vaquero bit. De ruiter heeft twee teugels in de linkerhand.
Basisbesturing
Teugelvoering met 4 teugels. 1 paar aan de neus, en 1 paar teugels aan het mondstuk. Pas in de latere fase van de training worden de scharen van het bit gebruikt !
-
Paard wordt gevraagd aan de neusbevestiging het hoofd te gaan in de richting waar het heen gevraagd wordt. De ruiter blijft zoveel mogelijk van het bit af.
-
Het buitenbeen (de tegenvergestelde richting) verzoekt het paard te wijken voor dit been.
-
De ruiter kijkt in de richting waar hij heen gaat en draat licht met het bovenlijf in de gwenste richting, gewicht.
-
Het voorwaarste blijft behouden met behulp van de zit, het gewicht en een lichte aanraking met het paard.
-
De benen van de ruiter bewaken de stelling van het paard en de buiging
DOEL: Het aanleren van lichte hulpen, zonder teugels, waarbij het paard leert de hulpen van de ruiter te begrijpen. Het paard is te besturen op basis van de gewichts- en zithulpen van de ruiter. Het paard en de ruiter stemmen op elkaar af, warbij het psychologsche aspect van het paard centraal staat. De ruter dient het paard te prijzen als het paard doet wat wordt gevraagd.

Zijgangen
In de Doma Vaquera komen veel zijgangen en wendingen voor. Het paard moet als het ware kompasvormig te besturen zijn. In de voorbereiding van het rijden van een competitie dient het paard de hulpen van de ruter te begrijpen. Het rijden van een diagonaal waarbij het paard gevraagd wordt het hoofd licht te buigen en toch zijwaarts te blijven gaan zijn iefenngen om op elkaar af te stemmen. De besturing dient steeds kleiner te worden.

Eenvoudige oefeningen om de besturing te oefenen zijn het rijden van cirkels, door de buiging van de cirkel wordt het paard gevraagd zich te buigen in de gewenste richting.
Alle hulpen die het paard helpen het juiste antwoord te kunnen geven zijn toegestaan. De hulpen dienen in het belang van het paard te zijn en het is aan het verstand en de kunde van de ruiter om het paard verantwoor

Het paard is in de volte van hoofd tot staart gebogen. Op de cirkel wordt het paard een aantal passen gevraagd door middel van het been licht aan te drukken en met een klopje van de kuit het paard vragen , in de gewenste richting, enkele passen de cirkel met de achterhand te vergroten of te verkleinen.
 |